Pedagogisch beleid

1.Inleiding

 

Voor u ligt het pedagogisch beleidsplan van peuteropvang de Boskabouter van Alles Kits. Dit plan heeft tot doel inzicht te geven in het beleid dat Alles Kits nastreeft ten aanzien van de opvang en begeleiding van de kinderen die gebruik maken van de opvang.

 

Het plan is opgebouwd volgens het principe: visie, missie en pedagogische basisdoelen. De visie beschrijft datgene wat Alles Kits voor ogen heeft met peuteropvang. De missie is voor ons datgene waar wij voor staan, waarmee wij verwachten onze visie te kunnen bereiken.

 

De pedagogische basisdoelen beschrijven het bevorderen van het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen bij Alles Kits.

 

1.1 Onze visie

Alles Kits wil kinderen een kwalitatief goede plek bieden, waar ze op natuurlijke wijze de richting en ervaring vinden die ze nodig hebben voor een start op school en in hun verdere leven, maar ook ouders in staat stellen om de zorgtaken voor hun kind tijdelijk over te dragen. Ieder kind in de leeftijd van 2 tot 4 jaar is welkom, wij tonen respect voor de unieke achtergrond van elk kind. De opvang is gebaseerd op pedagogische doelstellingen, gericht op het geven van ondersteuning aan de ontwikkeling en het welzijn van kinderen tot een zelfstandige persoonlijkheid met een duidelijk besef van eigenwaarde, een positief zelfbeeld en met de beschikking over sociale vaardigheden. Uit onderzoek is gebleken dat het contact tussen de leidsters en de kinderen het meest bepalend is voor de pedagogische kwaliteit.

 

In de Wet kinderopvang zijn vier competenties voor opvang peuterspeelzalen vastgelegd;

  • De ontwikkeling van sociale competenties (hoe ontwikkelt een kind zich in de groep).
  • De emotionele veiligheid van het kind.
  • De ontwikkeling van persoonlijke competenties (welke vaardigheden ontwikkelt een kind).
  • De overdracht van normen en waarden (groepsregels en omgang met de andere kinderen).

 

1.2 Onze missie

Alles Kits biedt veilige, gezonde, professionele en gezellige peuteropvang. Waar kinderen van twee tot vier jaar zich kunnen ontwikkelen op motorisch, sociaal, emotioneel, taalkundig en verstandelijk vlak.

Voor ons is elk kind uniek, met een eigen karakter en een natuurlijke drang om zich te ontwikkelen. Om deze ontwikkeling te stimuleren, bieden wij een omgeving die plezierig, veilig, herkenbaar en uitdagend is. De leidsters zorgen voor een positieve begeleiding, rust en regels, staan stil bij de ontwikkeling van de kinderen en leren de kinderen elkaar en hun omgeving te respecteren. Wij leren ze delen, recht doen aan elkaar, verdraag­zaam te zijn naar elkaar, samen feest te vieren en verdriet te delen. De ouders vertrouwen hun kinderen toe aan de zorg van onze leidsters. Wij streven naar een open en actief contact met de ouders.

 

In dit pedagogische beleid kunnen wij onze visie op het werken met kinderen expliciet maken. Wij beschrijven hoe wij ons inzetten om een omgeving te creëren die goed is voor de kinderen. Tevens is het pedagogisch beleid een richtlijn voor de groepsleidsters. De leidsters weten welke taken er van hen verwacht worden. Het pedagogische beleid is ook beschikbaar voor ouders om te lezen hoe er gewerkt wordt binnen de peuteropvang van Alles Kits.

 

In de volgende hoofdstukken wordt onze werkwijze specifiek beschreven.

 

1.3 Pedagogische basisdoelen

De algemene doelstelling van peuteropvang is voor ouders en leidsters hetzelfde, namelijk het bevorderen van het welzijn en de ontwikkeling van kinderen. Vanuit wetenschappelijk onderzoek (Riksen-Walraven, 1998 en 2000) zijn vier specifieke pedagogische basisdoelen voor de kinderopvang geformuleerd:

 

(1) het bieden van een gevoel van fysieke en emotionele veiligheid,

(2) het bevorderen van persoonlijke competentie, zoals de ontwikkeling van veerkracht, zelfstandigheid, zelfvertrouwen, flexibiliteit, taal, cognitie, motoriek en creativiteit,

(3) het bevorderen van sociale competenties (bijvoorbeeld het stimuleren van samenwerken, elkaar helpen, perspectief nemen, communiceren, delen en conflicten oplossen),

(4) socialisatie, het aanbieden van regels, normen en waarden; de ‘cultuur’ in brede zin overdragen.

 

2. Persoonlijke competenties van het kind

 

2.1 Ontwikkeling van lichaam, motoriek en zintuigen

Vooral in de eerste levensjaren groeien kinderen hard en leren ze steeds meer de mogelijk­heden van hun eigen lichaam kennen, gebruiken en vergroten. De peuteropvang is een plek waar de kinderen zich plezierig en veilig kunnen voelen, waardoor zij op ontdekking gaan en al spelende zich verder kunnen ontwikkelen.

Wij stimuleren de kinderen om elkaar te helpen en om eigen problemen zelf te leren oplossen. Wij laten ook zien dat elk kind zijn eigen sterke en minder sterke kanten heeft en hoe een kind om hulp kan vragen. Het is van belang om te accepteren dat kinderen verschillend zijn en dat niet iedere uitdaging als wedstrijd gezien moet worden.

 

De leidsters bieden de kinderen speelgoed, materiaal en activiteiten aan om deze ontwikkeling te stimuleren. Er zijn mogelijkheden voor vrij spelen, zowel alleen als samen en mogelijkheden om groepsgewijs iets creatiefs te doen. De leidsters hebben hierin een actief sturende rol. Het spelmateriaal in de speelzaal is aangepast aan de leeftijd van de kinderen. Bij de keuze van het spelmateriaal wordt aandacht besteed aan de grove motoriek, zoals rennen, klimmen, fietsen, balspellen etc. Maar ook aan de fijne motoriek, zoals knutselen, puzzelen, prikken, etc.

 

Lichamelijk contact tussen leidsters en kinderen is belangrijk. Het heeft een sterk effect op

de kinderen. Een aai over de bol, een knuffel, even op schoot zitten of een handje vasthouden zijn bij Alles Kits normale omgangsvormen.

 

De zintuiglijke ontwikkeling wordt gestimuleerd door het gebruik van kleuren, verschillende

soorten materialen en door het doen van spelletjes die met horen, voelen, ruiken en proeven te maken hebben.

 

2.2 Stimuleren van zelfstandigheid en zelfredzaamheid

De zelfstandigheid van de kinderen wordt gestimuleerd door hen zoveel mogelijk  opdrachten zelf te laten uitvoeren. De opdrachten moeten passen bij de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de kinderen. Leidsters zorgen ervoor dat alleen datgene wordt verwacht waaraan het kind kan voldoen. Belonen van een nieuwe stap draagt bij aan het zelfvertrouwen en stimuleert de zelfstandigheid. Voorbeelden hiervan zijn “Wat goed dat je zo netjes eet!”, maar ook een aai over de bol, een glimlach of schouderklopje zijn een beloning. Als een kind een compliment krijgt voor iets wat het goed doet zal het dat vaker gaan doen. Van complimenten groeit het zelfvertrouwen van een kind. Zo vinden kinderen het spannend om iets nieuws te ondernemen. Naast het belonen van het gedrag is het ook van belang om een vertrouwd leidster- kind contact op te bouwen waarin kinderen fouten durven maken en hun gevoelens kunnen uiten. Het is belangrijk dat kinderen de ruimte krijgen om dingen zelf te doen en ruimte hebben om keuzes te maken. Hierbij staat altijd de veiligheid voorop. Als een kind gevaar loopt wordt er door de leidster ingegrepen.

 

 

2.3 Creatieve ontwikkeling en spelbeleving

Door bezig te zijn met creatieve activiteiten kan het kind zijn gevoelens uiten en beleven in spel, muziek en materiaal. Ontwikkeling van deze capaciteiten nemen een belangrijke plaats in omdat ze tegelijk heel ontspannend werken.

Voorbeelden:

 

  • Naar aanleiding van een gebeurtenis, een verhaaltje of een liedje maken wij een tekening, een schilderij of een plakwerk.
  • Met klei, hout en/of knutselmateriaal een eigen kunstwerk of bouwwerk maken.
  • De fantasie stimuleren door verhaaltjes te vertellen en kinderen ook zelf verhalen te laten bedenken.
  • Verkleedpartijen en toneelstukjes.
  • Muziek maken of samen dansen op muziek van een CD.

 

3. Sociale competentie en emotionele veiligheid in de groep

 

Kinderen kunnen in een huiselijke omgeving spelen met leeftijdsgenootjes. De meeste kinderen groeien tegenwoordig op in kleine gezinnen, waardoor de peuteropvang een belangrijke nieuwe ervaring vormt. Er zijn andere mogelijkheden dan thuis om samen te spelen en creatieve activiteiten te ondernemen. Dit vraagt extra inzicht en kennis van de leidsters om tijdens groepsactiviteiten de kinderen te begeleiden.

Door een veilig groepsklimaat wordt het welzijn en het welbevinden van het kind tijdens de opvang bevorderd.

 

3.1 Variatie en structuur

Variatie binnen de groep is er in leeftijd, eventuele culturele achtergrond en ontwikkeling. Er is geen vaste verhouding tussen jongens en meisjes. Dit hangt af van de inschrijvingen. Gezelligheid binnen de opvang bestaat naast de variatie ook uit structuur en voorspelbaarheid. Wij bieden hiertoe een vast dagprogramma en vaste terugkerende rituelen. Activiteiten zijn uitnodigend, maar nooit verplicht. Wij werken met thema’s zoals bijvoorbeeld de seizoenen en stimuleren het samenwerken en samen spelen. Opruimen gebeurt altijd samen met de kinderen: samen rommel maken, samen (spelenderwijs) opruimen.

 

3.2 Vriendschap

Leidsters geven kinderen de ruimte om vriendschappen te sluiten. Van belang is wel dat er geen andere kinderen worden buitengesloten. In zo’n geval zullen de leidsters andere activiteiten aanbieden en met elkaar samen gaan spelen. Door het stimuleren van kinderen om samen te spelen en te werken kunnen ze van elkaar leren.

Hetzelfde geldt voor broertjes en zusjes uit één gezin. Zij kunnen veel aan elkaar hebben, vooral tijdens de wenperiode. Maar de leidster moet ervoor zorgen dat zij elkaar ook de ruimte geven om eigen vriendschappen te kunnen ontwikkelen.

 

3.3 Verdriet

Kinderen zijn af en toe verdrietig. Soms begrijpen de leidsters de aanleiding en soms kan dit kinderleed niet benoemd worden. Een leidster neemt het verdriet van een kind serieus. Troosten en samen iets gezelligs doen kan helpen. Als het nodig is wordt het kinderverdriet gemeld aan de ouders.

 

3.4 Overdracht normen en waarden

Kinderen zijn van nature sociale wezens en zoeken contact met elkaar, kijken naar elkaar en zoeken elkaar op. Samenspel gaat meestal spontaan als iets hun gezamenlijke aandacht trekt. Maar dit betekent niet dat dit vanzelf loopt. Pedagogisch medewerkers spelen hier een cruciale rol in het in banen leiden van de interactie tussen kinderen om hun sociale vaardigheden zo goed mogelijk te ontwikkelen. En zo het contact tussen kinderen te bevorderen. Als kinderen langere tijd bij elkaar in de groep zitten en een band kunnen opbouwen vindt er meer en beter samenspel plaats.

Wij  besteden continue aandacht aan hoe kinderen met elkaar moeten omgaan. Wij leren ze te delen, samen te werken en ruzies op te lossen. Wij proberen duidelijke gedragregels te hanteren zoals elkaar geen pijn doen , speelgoed delen en op elkaar wachten. Door het hanteren van deze normen en waarden krijgen ze vertrouwen en respect voor elkaar en worden vriendschappen gestimuleerd. Vriendschappen zijn ook voor jonge kinderen waardevol, dit versterkt het vertrouwen in zichzelf en in het andere kind. 

 

3.5 Dagelijks afscheidsritueel

Het leren afscheid nemen is een belangrijk onderdeel van de gang van een kind naar de peuteropvang. Het is voor een kind van groot belang dat het goed afscheid heeft kunnen nemen van de ouder om zich die ochtend veilig en goed te voelen. Er is voor alle kinderen altijd de mogelijkheid aan de overgang naar de opvang te wennen door even te puzzelen of te kleuren met de ouder, voordat afscheid genomen wordt.

 

3.6 Dagprogramma en rituelen

Wij werken met een vast dagprogramma zodat de kinderen dit kunnen herkennen. De vaste dagelijkse activiteiten kennen een min of meer vaste opbouw zoals eerst samen opruimen, dan handen wassen, aan tafel zitten, liedje zingen, fruit eten en limonade drinken. Ook speciale gebeurtenissen als een verjaardag of het afscheid van een kind worden met behulp van rituelen gevierd. Deze rituelen liggen vast, maar inbreng van de kinderen is natuurlijk mogelijk.

Bij het binnenkomen en weggaan is er aandacht voor het persoonlijk groeten van elk kind.

Er wordt, naast de thema’s als seizoenen, aandacht besteed aan Kerstmis, Pasen,

Sinterklaas, Moederdag en Vaderdag.

 

Het dagschema ziet er als volgt uit:

08:30 -08:45   Binnenkomst kinderen/vrij spel

08:45-09:00    Kring

09.00-09.30    Activiteit

09.30               Fruit eten

09.45               Plas pauze/ verschoonronde en vrij spel

10.30               Koekje en limonade

10.45               Liedjes zingen

11.00-11.45    Buitenspelen

11.45               Kring spelletje/ voorlezen

 

 

3.7 Regels en afspraken op de groep

Wij vinden het belangrijk dat het voor de kinderen duidelijk is welke regels en afspraken er op de groep gelden. Dit geeft de kinderen houvast en ze weten waar de grenzen liggen. Het aantal regels moet beperkt zijn zodat het kind ze kan overzien. Wij herhalen deze regels regelmatig met de kinderen, en alle leidsters moeten deze consequent hanteren. Maar als de situatie hierom vraagt hier ook flexibel mee om gaan. Als een kind grensoverschrijdend gedrag laat zien kijken wij het kind aan en spreken het rustig aan. Het ongewenste gedrag wordt dan benoemd en uitgelegd. Indien mogelijk wordt er een alternatief geboden. Een kind dat moeite heeft zich aan de regels te houden wordt hierin ondersteund. Als een kind herhaalde malen zich bewust niet aan een afspraak houdt dan nemen wij het even apart en bespreken wat er gebeurd is met het kind. Wij zoeken met het kind naar een manier om het gewenste gedrag mogelijk te maken en wij zorgen ervoor dat wij het weer goed maken.

 

3.8 Naar buitengaan

Via de lange gang van de basisschool loopt  de pedagogisch medewerker met de kinderen naar de centrale hal richting de kleuter(in)uitgang naar het speelplein van de school en wordt de buitenspeelplaats, specifiek voor de peuters bereikt. Hierbij wordt een gekleurd looptouw gebruikt dat door iedereen vastgehouden wordt zodat de peuters de, door een hek afgesloten,  speelplaats veilig bereiken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4. Leidsters op de peutergroep

 

4.1 De peutergroep

De peutergroep bestaat uit maximaal 14 kinderen in de leeftijd van 2 t/m 4 jaar. De aangeboden activiteiten zijn afgestemd op deze leeftijdsgroep. Er is een eigen groepsruimte met een eigen sfeer. De ruimte is zo ingedeeld dat er naast een groepstafel ook hoekjes gecreëerd zijn waar kinderen alleen of in kleine groepjes kunnen spelen. De NSO maakt ‘s middags ook gebruik van deze ruimte. Het materiaal van de peuter- en van de NSO- groep wordt separaat opgeborgen.

De leidsters werken op vaste dagen zodat de kinderen altijd een bekend gezicht zien. De gedragingen van de kinderen worden door de leidster schriftelijk vastgelegd en dienen als leidraad voor het oudercontact.

Wij streven ernaar om zo min mogelijk veranderingen en nieuwe gezichten op een groep te brengen en werken zo veel mogelijk met vast invalkrachten bij vakanties en ziekte.

 

4.2 Leidster-kind contacten

Leidsters hebben een belangrijke rol bij alle contacten in de groep, zij staan in het middelpunt van de beleving en het welbevinden van een kind. Er is een aantal leidstervaardigheden nodig om te werken met kinderen:

  • Emotionele ondersteuning geven: aardig en betrokken zijn, met vriendelijke aandacht naar de kinderen.
  • Respect voor autonomie, het kind de kans geven om het zelf op een eigen manier te kunnen doen.
  • Structureren en grenzen stellen, duidelijke afspraken maken, overzicht houden en op tijd kinderen een alternatief aanbieden (sensitieve disciplinering).
  • Praten en uitleg geven: afgestemd op het niveau en de interesse van het kind ‘Waarmee ben jij aan het spelen? Heb je vandaag kastanjes buiten gezien?’
  • Begeleiden van interacties tussen de kinderen, de leidster kan het samenzijn van de kinderen op de groep actief stimuleren door kinderen aan te moedigen elkaar te helpen en samen te werken, naar elkaar te luisteren en elkaars ‘werk’ te bekijken.

 

Een sfeer van gezelligheid en geborgenheid is nodig om een kind in de groep zich optimaal te laten ontplooien. Om deze sfeer te creëren en te waarborgen is, naast een goede communicatie met ouders, een band van vertrouwen en collegialiteit tussen de groepsleidsters onontbeerlijk. De leidster heeft een eigen persoonlijkheid met een eigen stijl van opvoeden. Zij is zich bewust van haar reacties op het gedrag van de verschillende kinderen. In samenwerking met collega’s en leidinggevende en in goed overleg met de ouders zal ze tot een verantwoorde aanpak komen in het opvoedkundig handelen.

 

Structurele factoren zoals de indeling van de groepsruimte, het spelmateriaal, de organisatie, buitenspeelmogelijkheden, aantal kinderen per leidster etc. zijn van belang voor de taaklast van de leidster. Vanuit een goed georganiseerde opvang kan de leidster een groepssfeer creëren, waarin elk kind aandacht krijgt.

De peutergroep heeft zijn eigen vaste groepsruimte. Bij de inrichting hiervan proberen wij een huiskamersfeer te realiseren. Belangrijk is dat de inrichting voor het kind vertrouwd aanvoelt en uitnodigend is om in te spelen. Dit wordt gedaan door het creëren van hoekjes waar kinderen zich kunnen terugtrekken om rustig in te spelen. Dit kan zijn met speelgoed als poppen en auto’s, maar ook met constructiemateriaal zoals houten Mecano, waarmee de kinderen hun eigen speelmateriaal kunnen maken.

Tijdens de NSO uren zal de ruimte beschikbaar zijn voor de jongste kinderen (4-5 jaar). Voor deze leeftijdsgroep is rekening gehouden met de materialen en het speelgoed welke wij eenvoudig kunnen inzetten (separate kratten verrijdbare kast) op het moment dat deze groep in deze ruimte verblijft.

 

4.3 Signaleren van problemen

 

Als een leidster een probleem signaleert, bijvoorbeeld een kind dat zich niet op zijn gemak lijkt te voelen in de groep of zich anders gedraagt dan gebruikelijk, of als de leidsters vermoeden dat er iets aan de hand is, wordt het kind eerst geobserveerd, om daarna het probleem met de ouders te bespreken. Leidsters mogen een probleem alleen concreet omschrijven. Het gaat om het functioneren van het kind tijdens de periode dat het bij ons op de opvang is. Leidsters hebben de verantwoordelijkheid hun bezorgdheid met ouders te delen. Zo stellen wij het ook op prijs wanneer ouders dingen doorgeven over het kind aan de leidsters. Dit is in het belang van het kind.

In bepaalde situaties zal het kind na overleg besproken worden in het teamoverleg, waar een stappenplan kan worden gemaakt.

Als er een plan is ontwikkeld maar dit blijkt onvoldoende te werken, dan kan in overleg met de ouders besloten worden om over te gaan tot beëindiging van de plaatsing. Hierbij wordt rekening gehouden met het belang van het kind zelf en de andere kinderen in de groep.

 

5. Hygiëne, veiligheid en gezondheid

 

5.1 Richtlijnen algemene hygiëne groepsruimte

De groepsruimte, de inrichting en het speelmateriaal wordt volgens schoonmaakschema schoongemaakt. Het materiaal dat wordt ingekocht voor de kinderen om mee te spelen is kleurecht en gifvrij.

 

5.2 Richtlijnen voor persoonlijke hygiëne

Kinderen worden ondersteund bij het zindelijk worden, zodra daar thuis mee gestart is. Er is reservekleding aanwezig om kinderen bij ongelukjes een droge broek aan te kunnen trekken. Na het naar de wc gaan wassen de kinderen hun handen.

 

5.3 Een veilige omgeving

Er is een Risico Inventarisatie opgesteld en deze wordt jaarlijks opnieuw getoetst. Het gaat hierbij om aspecten als gezondheids- en (brand)veiligheidsmanagement. Hiertoe vult Alles Kits een risico-inventarisatielijst in die aan de GGD overlegd wordt en door de GGD gecontroleerd wordt. Veiligheid binnen de Boskabouter kent meerdere facetten. Ouders moeten er op kunnen vertrouwen dat hun peuter niets kan overkomen en dat als er iets gebeurt, er snel professionele hulp is. Het gebouw/ de ruimte moet een gezonde, schone en veilige plek zijn.

In de situatie dat de opvang plaats vindt in een schoolgebouw is het echter heel moeilijk om alle risico’s volledig uit te sluiten, omdat wij niet het alleenrecht op het gebruik van de ruimtes hebben. Aan een klein aantal aspecten van de risico-inventarisatielijst wordt dan ook niet 100% voldaan omdat wij dit niet kunnen garanderen.

Ons beleid is dat dit risico’s zijn waar kinderen mee moeten leren omgaan omdat ze deze ook tegenkomen buiten de opvang omgeving.  Wij zullen kinderen bewust maken van deze risico’s. Daar waar nodig zal de situatie aangepast worden; zoals vingerstrips, radiator beveiliging en afdekplaatjes voor stopcontacten.

 

5.4 Preventie

Eenmaal per jaar oefenen wij een ontruiming. Daarnaast nemen wij preventieve maatregelen om ongevallen en rampen te voorkomen, er zijn voldoende brandblusmiddelen en goede nooduitgangen, er hangt een vergiftigingswijzer, is een presentielijst en alle schoonmaakmiddelen staan buiten het bereik van de kinderen.

Vanzelfsprekend wordt in en om de peuterspeelzaal niet gerookt. Daarnaast hanteren wij een aantal richtlijnen voor een zo gezond mogelijke omgeving.

 

5.5 Richtlijnen voor tussendoortjes en traktaties

De Boskabouter biedt limonade en een koekje (biscuitje) aan, kinderen mogen uiteraard zelf eten en drinken meenemen van huis indien er een speciaal dieet gevolgd wordt of er rekening gehouden moet worden met allergieën. Traktaties bij verjaardagen gaan in overleg met de leidster, deze dienen verantwoord te zijn voor kinderen (2  tot 4 jaar).

 

5.6 Richtlijnen voor het omgaan met zieke kinderen

Als kinderen ziek zijn, mogen ze niet gebracht worden. De beoordeling hiervan ligt bij de ouders, maar koorts is voor ons een indicatie dat kinderen te ziek zijn om te komen. In geval van koorts heeft de groepsleiding namelijk niet de mogelijkheid om het zieke kind die extra aandacht te geven, die het dan nodig heeft. Daarnaast is de kans op besmetting aanwezig. Ook wanneer het kind zich niet lekker voelt, hangerig en ziek is (bij diarree, koorts, ontstoken ogen, besmettelijke ziekte), worden de ouders verzocht het kind thuis te houden.

Wanneer dit bij de Boskabouter wordt geconstateerd, worden de ouders gebeld met het verzoek om het kind op te (laten) halen. De Boskabouter heeft een ziektebeleid opgesteld, dit ontvangen ouders bij het intake gesprek.

Zodra er melding is van een besmettelijke ziekte, wordt dit gemeld aan de andere ouders, door middel van een briefje op het prikbord en een elektronische nieuwsbrief.

 

5.7 Inzetten van een achterwacht

Bij sommige situaties is er een achterwacht noodzakelijk. Deze situatie komt voor als een leidster onverwachts niet op tijd kan komen, of als er een kind b.v. naar een dokter moet worden vervoerd. Omdat op deze locatie dagelijks VSO wordt aangeboden vanaf 7:30 uur en de administratie hier aanwezig is, is er altijd achterwacht in de school aanwezig. Ook is de opvang alleen geopend als de school geopend is, hierdoor is er altijd een andere volwassene in de school aanwezig.

 

5.8 Vier ogen principe

Het is belangrijk dat kinderopvang een veilige omgeving biedt. Medewerkers van een kinderopvang organisatie worden voortdurend gecontroleerd op strafbare feiten (continue screening). Er moet altijd een volwassene meekijken of meeluisteren met een beroepskracht. Werknemers in de kinderopvang hebben een meldplicht bij aanwijzingen dat een collega geweld tegen een kind gebruikt. Omdat de leidsters van de peuteropvang nooit alleen op de locatie aanwezig zijn en er dus altijd een collega of leerkracht van de school langs of binnen kan lopen voldoen we aan het zo geheten vier ogen principe. Dit principe houdt in dat een beroepskracht bij de uitvoering van de werkzaamheden altijd gezien en/of gehoord kan worden door een andere volwassene.

 

6. De peutergroep

In de groepsruimte creëren wij speelhoeken met een duidelijk functie, zoals een poppenhoek, hierin staat ook het keukentje zodat kinderen zich heerlijk uit kunnen leven in hun fantasie spel. Dit wordt gestimuleerd door bijvoorbeeld verkleedkleren. In de bouwhoek zijn naast blokken ook autootjes te vinden en een speelkleed. Er is ook een hoek met een bed/bankje en wat boeken om even samen of apart te lezen, of om voor te lezen. En er is een lage groepstafel waar kinderen kunnen gaan zitten om te puzzelen, creatief bezig te zijn of samen een spelletje te doen. Door dat de ruimtes min of meer afgescheiden zijn en een duidelijke functie hebben kunnen kinderen makkelijk keuzes maken. Het speelmateriaal moet op een vaste plek liggen zodat kinderen dit zelfstandig kunnen pakken en opruimen. Het lokaal moet overzichtelijk blijven en niet teveel prikkels afgeven aan de kinderen. Kinderen moeten zich veilig door de ruimte kunnen bewegen.
De opvang vindt plaats op de van Reenen School waar deze ruimte gedeeld wordt met de buitenschoolse opvang. De jongste groep met kinderen van 4 en 5 jaar maken ‘s middags gebruik van deze groepsruimte. Doordat de leeftijdsgroep aansluit op de leeftijd van de peuters, kunnen de kinderen gezamenlijk gebruik maken van hetzelfde spelmateriaal. Spelmateriaal dat alleen voor de peuters of juist alleen voor de bso kinderen geschikt is, wordt altijd opgeborgen zodat de andere kinderen hier niet bij kunnen, bijvoorbeeld in een verrijdbare kast die alleen tijdens de bso uren het lokaal ingereden wordt.

 

7. Oudercontact       

De ouders hebben regelmatig contact met de leidster over hun kind tijdens het ophalen bij de Boskabouter. De eigen groepsleidster schrijft regelmatig bijzonderheden en de voortgang per kind op. Deze leidster is voor de ouders een vast aanspreekpunt.

In principe krijgen alle ouders de gelegenheid om 1 x per jaar deel te nemen aan een oudergesprek over hun kind. De ouders kunnen tussentijds natuurlijk ook om een gesprek vragen indien zij daartoe aanleiding zien.

 

8. Plaatsing- en wenbeleid

Voordat het kind definitief geplaatst wordt vindt er een intake gesprek plaats. Het doel hiervan is een wederzijdse kennismaking van ouders, kind en leidsters, waarbij aan de hand van een vragenlijst praktische gegevens worden uitgewisseld. Bij het intake gesprek ontvangen ouders het informatieboekje van de Boskabouter waarin de praktische gegevens kunnen worden nagelezen. Ook wordt er afgesproken wanneer het kind komt wennen. De wenochtend is een kortere ochtend dan normaal. De ouders komen het kind dan eerder ophalen. De wenochtend vindt plaats voor aanvang van het contract.

 

Een optimaal wenklimaat voorziet in:

Ten aanzien van de pedagogisch medewerkster richting het kind;

  • Zij het kind actief observeert en er naar luistert,
  • Zij een duidelijke dagstructuur biedt. Door de voorspelbaarheid van wat er gaat gebeuren, voelt het kind zich zekerder en sneller op zijn/haar gemak,
  • Zij het kind zo nodig helpt met spelen,
  • Zij het kind de verschillende hoeken laat zien van de ruimte,
  • Zij aandacht schenkt aan het nieuwe kind zodat zij/hij zich betrokken voelt bij het groepsgebeuren.

 

Doorplaatsing van peutergroep naar de BSO

Veel kinderen van de peuteropvang gaan na het bereiken van hun 4e  verjaardag naar de BSO. De jongste kinderen van de BSO Alles Kits worden ook tijdens de BSO uren opgevangen in het  Boskabouter-lokaal. De overgang verloopt van de peuteropvang naar de BSO heel geleidelijk.

 

 

9. Omgaan met gebeurtenissen betreffende het kind

Er zijn diverse omstandigheden waarvoor aparte richtlijnen aanwezig zijn zoals:

  • Ziektebeleid
  • Werkwijze bij het signaleren van ontwikkelingsproblemen
  • Werkwijze bij ernstige gebeurtenissen
  • Werkwijze bij het signaleren van kindermishandeling
  • Werkwijze bij het signaleren van seksueel misbruik

 

10. Klachtenbeleid

Wij zijn aangesloten bij de Stichting Klachtencommissie Kinderopvang. Het reglement is op te vragen bij de leidsters.

Ook kunt u kijken op de website van SKK:  http://www.klachtkinderopvang.nl

 

11. Personeelsbeleid

Binnen de opvang wordt gewerkt met vaste leidsters. Er is één leidster op zeven kinderen per basisgroep aanwezig. Zowel vaste groepsleidsters als invalgroepsleidsters zijn volledig gekwalificeerd volgens de standaard zoals gesteld in de CAO Kinderopvang. Dit betekent een opleiding van minimaal SPW 3 of vergelijkbaar. Wij volgen een actief beleid in de deskundigheidsbevordering.

Een sollicitante die een Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL) wil volgen, komt in dienst bij De Boskabouter van de CAO-kinderopvang. Binnen onze organisatie krijgt een BBL-er altijd een vaste praktijkbegeleider.

De eerste zes maanden van de opleiding wordt de BBL-er alleen boventallig ingezet op een vaste stamgroep. Ze mogen wel zelfstandig activiteiten met de kinderen ondernemen, maar altijd onder de verantwoordelijkheid van de vaste pedagogisch medewerker op de groep. Nadat de BBL-er zes maanden opleiding heeft gevolgd, kan de BBL-er als tweede leidster op een stamgroep worden ingezet. En in het volgende leerjaar kan de BBL-er zelfstandig als pedagogisch medewerkster op een groep worden ingezet.

De formatieve inzetbaarheid vindt altijd plaats in overleg met de praktijkbegeleidster van De Boskabouter en de opleidingsbegeleider van de onderwijsinstelling die de BBL-opleiding aanbiedt.

 

12. Overdracht basisschool

Acht tot zes weken voor een kind naar de basisschool gaat vult de leidster een overdrachtsformulier in. Hierin wordt het kind en zijn/ haar ontwikkeling beschreven. Dit formulier wordt met de ouders besproken en meegegeven. De ouders kunnen dit formulier aan de nieuwe school van hun kind geven.

 

Literatuurverwijzingen:

 

Duyn, R. & Schellekens, J. Opvattingen en intenties van Nederlandse, Caribische en

      Mediterrane leidsters over het eigen opvoedingsgedrag in de kinderopvang.

      Scriptie Pedagogiek, Universiteit van Amsterdam (2005).

IJzendoorn, R., van, Tavecchio, L., & Riksen-Walraven, M. (2004).

      De kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang.Amsterdam, Boom.                 

Riksen-Walraven, J.M.A. (1998). Veiligheid voorop: basisdoelen voor de opvoeding in de

      kinderopvang en in het gezin. Triangel, 15, p15-23.

Riksen-Walraven, J.M.A. (2000) Tijd voor kwaliteit in de kinderopvang. Oratierede als

      hoogleraar kinderopvang, Universiteit van Amsterdam. Vossiuspers AUP.       

 


Actueel

buiten activiteiten bij kinderopvang alles kits in bergen